Henrick van Selbach (*~1540) en Catharina Jansen (?)

Henrick van Selbach is de zoon van Johan van Selbach, die van voor 1534 tot ~1577 schulte van Emmen, Odoorn en Roswijnckel was, en zijn vrouw Griete. Henricks grootvader, Johan van Selbach, was van 1522 tot 1536 Drost van Drenthe.

ZO Drenthe, Dingspil Zuidenveld.
 
De letters:
E=Emmen, O=Odoorn, R=Rosswijnckel, TA=Ter Apel, S=Sleen.
Onderstreept is Coevorden.

 
Het bestuur in Drenthe (GD):

De drenten waren zeer zelfstandig. Elk kerspel had een schulte, een soort leider van het kerspel en de bemiddelaar bij conflikten. Meerdere dorpen samen vormden het dingspil (gerechtsgebied). De rechtspraak van het dingspil, de "goorspraak", vond meerdere keren per jaar plaats. Hoofddoel was het bereiken van een minnelijke schikking, zelfs bij geweldsmisdrijven. Het "hogere gerechtshof" was de etstoel. Elk dingspil had één stem maar stuurde wel 4 etten. Een landdag werd door de drost (de administraief bestuurder van Drenthe) bijeen geroepen, maar de drenten hadden ook het recht zelf een landdag te houden. Het dagelijks bestuur van de Landschap lag in de praktijk bij de etstoel. Pas in 1603 komen er "gedeputeerden".

Over de jeugd van Henrick is weinig bekend.  "De Landschap" Drenthe was deel van het rijk van keizer Karel V, maar werd vanuit Brussel bestuurd door zijn dochter, de landvoogdes hertogin Margaretha van Parma. In 1555 werd keizer Karel V als landsheer opgevolgd door zijn zoon Philips II, koning van Spanje. In 1559 benoemde deze Prins Willem van Oranje tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Stadhouder van de noordelijke gewesten werd Jan van Ligne, graaf van Aremberg.

Henrick zal spoedig over allerlei politieke zaken gehoord hebben. 

In 1566 brak het oproer los, dat de beeldenstorm genoemd is. Dit oproer breidde zich niet uit tot in de noordelijke provincies, maar iedereen moet over de bezwaren tegen het spaanse gezag (extra belasting, niet door de Staaten Generaal goedgekeurd) en de (al door Luther beklaagde) misstanden in de kerk gehoord hebben. In het noorden was men open voor veranderingen, in vele plaatsen werd de viering van de mis versoberd. In noord Nederland was spaans direkt gezag tot dan vrijwel afwezig, garnizoenen waren er slechts in een paar steden in Friesland en Overijssel. Alle standen in Groningen en Drenthe pochten op de zelfstandigheid bij de besluiten over politiek (zie Formsma+ 1976; Heringa+ 1985).
In 1567 werd Prins Willem van Oranje, die niet tegen de protestanten optrad, door Philips II aangeklaagd. Willem vluchtte naar de Dillenburg.

In april 1568 viel de broer van de prins, graaf Lodewijk van Nassau, in een door de prins gecoordineerde actie met een leger vanuit Duitsland noord Nederland binnen en nam de borg te Wedde, bezit van de stadhouder van Groningen (en Friesland, Drenthe en Overijssel), Jan van Ligne, in. Daarna trokken de troepen naar de stad Groningen. Het stadsbestuur was voorzichtig liberaal in die zin, dat het de, vooral door de luitenant-stadhouder gefavoriseerd strenge plakaten van koning Philips II, niet liet uitvaardigen. (De stad Groningen stelde, net als Amsterdam, de vrijheid van besluiten van de eigen bestuurders voorop maar steeds hield men rekening met wat het centrale spaanse gezag wilde.) Deze luitenant-stadhouder van Groningen was Johan de Mepsche, getrouwd met Henricks volle nicht Agnes van Münster. Lodewijk belegerde Groningen, ook in de hoop de bevolking aan de kant van de opstand te krijgen, maar Groningen ging niet om. Ondertussen was de spaanse hertog van Alva met een leger door Drenthe gemarcheerd om de binnengevallen opstandelingen terug te slaan. Lodewijk brak het beleg af en trok terug naar het oosten. In mei kwam het tot de slag bij Heiligerlee waar Alva werd verslagen. Na hergroeperen kon Alva echter in juli in de slag bij Jemmingen/Jemgum de opstandelingen verslaan. De resten van Lodewijks leger weken uit naar Emden.

Vanuit Emden zorgden de opstandelingen voor schepen om het de spanjaarden op zee lastig te maken. In Holland en elders heerste grote ontevredenheid, vooral door de in 1571 door Spanje ingevoerde sterk verhoogde belasting, de tiende penning. Bestuurders van steden en gewesten kregen hoge boetes als ze deze belasting niet inden. In 1572 bezetten de opstandelingen (de geuzen) den Briel, een stadje aan de hollandse kust. Dit werd het signaal voor een volksopstand. Spoedig schaarden steden zich achter Willem van Oranje. Bijna heel Holland en Zeeland sloten zich aan. De tiende penning speelde ook in Drenthe. In 1572 dokumenteerde vader Johan dat hij geld van de meiers van het gebied om het klooster Ter Apel (die in de buurtschap Roswijnkel en dus in het kerspel Emmen) in ontvangst nam; dit was geld voor de in totaal 14400 Carolusguldens die Drenthe aan koning Philips II moest afdragen (regest kta269).

De strijd ging nu sterk heen en weer. Er werd vooral in Holland gevochten. Maar in 1576 kreeg Spanje het financieel moeilijk en de soldaten werden niet meer betaald. De muitende spaanse troepen werden uit Holland verdreven. Nu zwierven er ook soldaten door Drenthe op zoek naar eten en buit. In 1577 ging het gezag in Drenthe over op de "opstandelingen". Rennenberg (George van Lalaing), door de Staten Generaal tot stadhouder voor de noordelijke gewesten benoemd, wist de provincie (de etstoel) te overtuigen zich bij de "Pacificatie van Gent" aan te sluiten.
Uit het dagboek van Jan Mus, landschrijver van Drenthe (Magnin-3I, p.351): In februari van 1579 wilde Rennenberg met 4 vaandels van Deventer naar Coevorden trekken. Het Zuidenveld was daarover niet geinformeerd. De leidinggevenden van en de bevolking in het Zuidenveld wilden de troepen echter niet binnen laten (wanwege mogelijke roof en muiterij). Een deel van Rennenbergs troepen trok zich toen terug. Ondertussen was er drentse steun uit de noordelijke dingspillen gekomen. Twee van Rennenbergs vendels rukten van Ootmarsum op naar Emlichheim (vlak bij Coevorden en Emmen) maar de bevolking kwam in het geweer en stelde bewaking in. Een afvaardiging uit Drenthe werd geformeerd, bestaande uit de schulte van Coevorden, Roelof van Selbach, Kunst van Selbach en Roelof tho Pereboem, die met de drost van Zwolle bij generaal Rennenberg in Deventer moesten onderhandelen. Uiteindelijk zouden toch twee vendels worden toe- en doorgelaten naar Wedde, die echter bij hun trek door de drenten werden bewaakt. Henrick moet bij de beraadslagingen geweest zijn, zijn broers Roelof en Kunst werden ter onderhandeling gestuurd.
Maar in 1580 wisselde Rennenberg (hij was door de friezen afgezet en de Ommelanders wilden hem ook niet meer) naar het door de katholieke stad Groningen verkozen spaanse kamp. Daarna heerste er ook in Drenthe oorlogstoestand. Het bestuur van de Landschap als geheel en de hogere rechtspraak hielden op te functioneren. De goorspraken per dingspil gingen nog wel door.

Francisco Verdugo, de spaanse stadhouder van Drenthe, 1581-1594. Prent door Hillebrant van Wouw (wikipedia).

Van 1576 tot 1579 waren er tegelijk twee drosten. De fries Jarich Botnya was 1567 door de hertog van Alva tot drost gemaakt maar hij werd door de drenten niet geaccepteerd zijnde niet uit de Lantschap afkomstig. De ander was Evert Ensse, die tegen betaling van f 12.000 (die Ensse geleend had) in 1576 door koning Philips II was benoemd; hij werd door de drenten "gequalificeert" bevonden (Magnin p.350), hij was uit een Sallands adelijk geslacht, was met een drentse jonkvrouw getrouwd (Magnin p.325) en zoon van Engelbert van Ensse, die van 1557-1567 drost was geweest (NNBW p.413). Tijdens de lotting op pinksteren 1576 te Rolde had Evert de oude Botnya met stoel en al uit de kerk naar buiten gedragen, zodat Botnya niet meer mee kon vergaderen (NNBW p.414). Maar van 1576 tot 1579 was onduidelijk wie nu drost was, beide heren bleven aktief, tot Botnya in 1579 stierf, terwijl Ensse veel buiten de Lantschap was (Magnin p.325). Rennenberg wilde Claas van Burmania benoemen, maar de drenten hadden sterke voorkeur voor hun "eigen" Hendrik de Vos van Steenwijk. Laatste werd door de Raad van State benoemd. Echter, na de overgang van Rennenberg naar de spaanse kant in 1580 was Evert Ensse, ook onder Rennebergs opvolger Verdugo, drost in de spaanse delen van Drenthe (tot ca. 1592). Ensse hield zich vooral met de vestingwerken bezig (NNBW p.414).

Henrick van Selbach volgde zijn vader in deze woelige tijd op als schulte van Emmen, omstreeks 1577. Het eerste document waarin hij als zodanig genoemd wordt is een goorsprake uit 1579 (zie de aktes Henrick), toen Drenthe bij de Pacificatie van Gent was aangesloten en de staatse stadhouder Rennenberg in functie was. Door welke drost van Drenthe is Henrick benoemd? Botnya of Ensse? Of is Henrick in 1577 door de nieuwe stadhouder Rennenberg zelf benoemd?
[ Vader Johan blijkt dan "in ruste" te zijn, zoals uit de archieven is af te leiden. Vermoedelijk leefde Johan (op het laatst Johan de olde genoemd) tot omstreeks 1600. ]

We weten niet wat Henrick van de strijdende partijen vond. Was hij verontrust door de hoge belastingen? Had hij sympathie voor de protestanten of was het meer afkeer van Spanje? Hij zal tegen al dat oorlogvoeren geweest zijn. Dacht hij dat, uiteindelijk, aansluiten bij de opstand op den duur ook voor Drenthe beter zou zijn? Hij heeft kennelijk steeds de lokale belangen behartigt want later, na 1595, had hij voldoende aanzien om in nieuwe functies benoemd te worden.

In de genoemde goorsprake van 1579 klaagt Henrick er over dat Steven ten Hove land onder Erm ten onrechte gebruikt (laat beweiden), land dat Henrick heeft "affgegraven en thogeslagen"; het lijkt hier om een perceel door Henrick afgegraven veen te gaan. Henrick zou dan de turf verkocht en het land ontgonnen hebben. Dat land lag iets ten zuiden van Sleen (en ten ZW van Emmen). Getuigen uit Sleen worden opgeroepen zich over de eigendomsverhoudingen van eertijds te uiten. Hoe de zaak afliep is niet gedocumenteerd. In 1588 is er weer ruzie tussen Steven van Hove en Henrick van Selbach. Steven ten Hove woont dan "buten landes".

Henrick is getrouwd met (vermoedelijk) Catharina Jansen. Over haar is verder niets bekend.
 
Kinderen: ~1570 Johan en Caspar, en sommige bronnen veronderstellen nog een derde kind *).

Handtekening Henrick van Selbach,
Akte uit 1585 (cartago, regest kta272)

Wapen van Henrick van Selbach.
Dit wapen is ook in de Selbach-bank in de kerk van Zuidlaren te zien.

Henrick's broer Const (Kunst/Koert), die in zijn zegel hetzelfde wapen als Henrick voerde, was schulte van Sleen geworden.

In 1563 stierf grootvader Johan van Selbach (thuis op Crottorf, Siegerland). Waarschijnlijk vernamen ze dat uit een brief van Henricks oom (ook) Henrick van Selbach, heer van Clarenbeck bij Kleef.
In 1576 stierf de weduwe Maria van Selbach, tante van Henrick, op huis Ten Ham (Duirsum) by Loppersum. Het is niet bekend op welke manier de families kontakt met elkaar hielden. Haar dochter Agnes van Münster was getrouwd met Johan de Mepsche, die streng katholiek en namens Spanje sinds 1557 luitenant-stadhouder van Groningen was. Een zoon van Maria, Roelof van Münster, heer van Harsevoort, was ~1560 met Ida Onsta uit Sauwerd getrouwd en ze verbleven veel op huis Harsevoort aan de Eems bij Lingen (Duitsland), op 50 km van Emmen.
1581: "den 6 April, isset een Aerd-bevinge gevoelt in dese Landschap, als mede in d' omliggende Landen; Jae zelf de Zeevarende Lieden hebben die oock merckelijck gevoelt in de Zee" (Picardt, p.344). De aardbeving was in feite in het jaar 1580 en een van de zwaarste gedocumenteerde in west Europa met epicentrum in het gebied tussen Dover en Calais (zie wikipedia 1580, Richter sterkte 6.0 op 25 km diepte).

In 1583 werd Francisco Verdugo, die in 1581 Rennenberg als spaans stadhouder van de noordelijke gewesten was opgevolgd, door een staats leger uit Friesland verdreven. "Hij is met zijnen gantschen Heyrtocht komen logeren in de Drenth, van voornemen om diezelvige te gebruyken voor zyne jacht weyde, en daer uyt t' elcke reyse invallen te doen in Vrieslant, om datzelvige met Brand-schatten te matteren, en geduurig op den tabbert te sitten. Sijn volck heeft zeer Barbaris in de Landschap gehuyst, en alles verteert en verheert waer het quam. Van daer is hy met zijn Krijgsheyr uyt de Landtschap vertrokken naer Lochum" (Picardt, p.344).

In 1584 werd Prins Willem van Oranje vermoord. Zijn zoon Maurits werd de nieuwe stadhouder in Holland, Zeeland en Utrecht, in Friesland was, na de verjaging van Verdugo, zijn neef graaf Willem Lodewijk van Nassau benoemd.

In 1586 koopt Henrick weiland in de marke Noord- en Zuidbarge.

Behalve de militair-politieke ontwikkelingen speelde het geloof een rol. In het gewest Oost Friesland was in 1518 onder graaf Edzard I het zogenaamde oostfriese landrecht gepubliceerd. De boeken bevatten regels over recht en process en baseren op het vanouds gebruikte friese rechtssystem. Het garandeerde grote persoonlijke vrijheid en beschreef o.a. opvattingen over gemeenschappelijke besluitvorming. (Dat syteem leek sterk op de praktijk in Drenthe.) Het is niet verbazend dat al kort na het optreden van Maarten Luther in 1517 het gewest Oost Friesland sympatiek stond tegenover zijn opvattingen. Dat trok spoedig geloofsvluchtelingen uit heel Europa aan. Emden werd geleidelijk het centrum voor de verbreiding van het Calvinisme in noord Europa (zie Oost Friesland, Cirksena).

Heeft Henrick over het hervormen van de kerk en de geloofspraktijk gelezen? Vanaf 1580 werd de reformatie in het gewest Overijssel ingevoerd, wat vooral in het westen en noorden lukte. De "santekraam" werd uit de kerken verwijderd. En wat er in de duitse landen naast het Zuidenveld gebeurde zal Henrick ook gevolgd hebben. Het graafschap Steinfurt was al in 1544 protestants geworden. Graaf Arnold II van het aan het Zuidenveld grenzende Bentheim had 1571-1572 protestantse theologie in Straatsburg gestudeerd. Geleidelijk aan, en vanaf 1588 nadrukkelijk, voerde hij de leer van Calvijn en Zwingli als de leidende geloofsleer in zijn graafschap in.

Vanaf 1580, toen Drenthe zich ook bij de Unie van Utrecht had aangesloten, was de Landschap deel van de Nederlanden. Echter, het spaanse gezag bleef bestaan in het zuidelijk en oostelijk deel van het gewest, ook omdat de spaanse troepen onder leding van Verdugo de diverse vestingen in handen hadden en lange tijd behielden (van Deursen, p.286).

Drenthe sterk verarmd, Drenten hadden zorgen om het bestaan
Drente is nooit dicht bevolkt geweest. In 1612, na de periode van oorlog woonden er slechts 17000 mensen; 199 van de 1011 "ploegen" (erven) en 54 "hofsteden" waren "onbetimmerd", oftewel onbewerkt (zie Bieleman p.327). Veel bewoners van Drenthe waren in de jaren van oorlog (vooral tussen 1572 en 1598) naar veiliger streken getrokken, zoals de drost de Vos van Steenwijk en de Landschrijver Heimrich van Rossum (van Deursen, p.287). De Hondsrug was de hoofdweg voor de legers en ook de staatse troepen hadden veel vernietigd. De rust keerde na 1594 (na de reductie van Groningen) ook in Drenthe terug. Echter, de afgedankte manschappen van de legers zwierven nog door het land en de zeden waren verruwd. Geweld, drankzucht en ontucht waren aan de orde van de dag.
De buurstreken hadden ook zwaar te lijden (Ringena, p.19-20).

Na de verovering door Prins Maurits in 1592 van de vesting Coevorden, de "poort" tot Drenthe en vanouds de "hoofdstad" en waar zijn grootvader dus als Drost had gewoond, veroverde Maurits 1594 de stad Groningen. Daardoor kwam ook de daartussen liggende provincie Drenthe onder het bestuur van de Staten-Generaal en werden de Zeven Provincieën een geheel. Drenthe lag nu als nog katholiek eiland temidden van gereformeerde gebieden.

Hoe lang Henrick schulte is gebleven is niet gedocumenteerd. Door de oorlogstoestand vanaf 1577 (tot ongeveer 1595), raakte het dagelijkse leven ontwricht. De legers (en ook gedeserteerde soldaten) die langs kwamen wilden geld en eten en het was niet zelden dat er geplunderd werd. Het werk van de schulte zal wel gewoon doorgegaan zijn maar rust en energie voor rechtszittingen (goorspraken) was er minder. In het Zuidenveld zijn er in de jaren tachtig vijf maal goorspraken geweest (van Deursen, p.286), tussen 1589 en 1598 geen. Ook werden goorspraken niet meer steeds in het betreffende dingspel gehouden, maar dichter bij Coevorden, de zetel van de drost. De Etstoel vergadert 18 jaar lang niet. De laatst (bekende) vermelding van Henrick als schulte is uit 1588.

In 1595 zijn in heel Drenthe nieuwe schultes benoemd. In Emmen was dat Everhardt van Gemen zoals blijkt uit de lijst der nieuwe schultes (Magnin-B, p.81-82). Henrick zal, zo kunnen we concluderen, dus bijna 18 jaar schulte geweest.

De herstructurering van het bestuur van Drenthe en de reformatie van de kerk was niet meer te vermijden. Een en ander had echter nog veel voeten in de aarde. Vanaf 1596 heeft Henrick van Selbach deze grote veranderingen, zoals het invoeren van de reformatie, actief mee tot stand gebracht. In 1596 wordt graaf Willem Lodewijk van Nassau ook tot stadhouder van "De Landtschap Drenthe" benoemd. Er komt weer een Etstoel, het hoger gerechtshof van Drenthe. In 1596 wordt een nieuwe drost benoemd: Hendrik de Vos van Steenwijk. Hij, de Landschrijver Heimrich van Rossum, en de 24 Etten, daaronder is Henrick van Selbach, worden ingezworen (Ord. p.377). Bij de eerste zitting in Juni 1596 wordt vermeld dat "nadat doer des inlandtschen bloedigen oerlogs in 18 jaren geen lottinck geseten noch geholden was" er nu weer vonnis gewezen wordt. De afwezige Ette uit het Diever dingspel zal vanwege onverklaarde afwezigheid de gebruikelijke boete van 25 goudguldens moeten betalen (Ord. p.378).

Pas toen in 1597 ook Oldenzaal en Ootmarssum door Staatse troepen waren veroverd werd het min of meer veilig in Drenthe (de Jong, p.302). Willem Lodewijk wilde in 1597 de Drentse bevolking, die tot dan toe "gewoon" katholiek was gebleven (de Jong, p.304), snel tot het gereformeerde geloof brengen. Met een plakaat van 10 mei 1598 maakte hij dat bekend. De pastoors moesten binnen drie weken hun functie opgeven, tenzij ze na gebleken geschiktheid, als ze "sich tot die reine bekentenis ende leer des Euangelii hadden begeven", door de "kerkvoegden en oldsten" als predikant werden benoemd (de Jong, p.308). Ook de schoolmeesters moesten zich onder het nieuwe kerkelijke gezag stellen (de Jong, p.305). Helaas waren veel pastoors "onerbowt ende qualic belesen". De bevolking stond nogal onverschillig tegenover de reformatie, ze hadden andere zorgen (de Jong, p.308). De gereformeerde kerk was overigens een voortzetting van de kerk van voorheen, dezelfde kerkgebouwen, dezelfde gemeentes maar "gereformeerd" in uiterlijk en preek naar de nieuwe opvattingen (zie de Jong, GR, p.365). Diegenen die katholiek bleven moesten maar zien hoe ze (onopvallend) hun geloof konden blijven uitoefenen.
Ook moest de betaling van de predikanten geregeld worden; de rentmeester van de domeinen kreeg de opdracht de kerkse bezittingen te inventariseren en moest bij schulte, kerkvoogden en desnoods de pastoor navragen "bij wie nae olden gebruic die pastoor plachte gecoren ende gestelt te worden" (de Jong, p.304).
Ter ondersteuning van het doen ingang vinden van de reformatie wilde hij het kerkelijk bestuur van Drenthe met dat van de provincie Groningen verbinden. De Drenten wilden echter in alles zelfstandig blijven, wat hen uiteindelijk ook lukte.

Henrick van Selbach was dus, onder het nieuwe bewind, tot Ette (rechter) namens het dingspil Zuidenveld gekozen en benoemd. In 1599 komt er werk op hem af: "Drost ende 24 Etten hebben gecommitteerd de rentmeester, die edelveste Nicolaus van Echten, Henrick van Selbach, Bastiaen Hiddinck, mit den landtschrijver, om alle des heren guederen in der landtschap, so betimmert als onbetimmert te besichtigenn, die landen an toe slaen, toe verpachten ahn die meest biedende, unde vorder daerin disponieren tot des landtschaps beste ende meesten vordel" (Ord. p.410). Van Echten was uit de groep van de edellieden, Hiddinck is uit het Rolder dingspil en net als Henrick eigenerfde (bezitter van een boerderij). Kortom, land moet weer in gebruik genomen worden en (belasting-)geld opbrengen.

Dan komt er naast de in 1599 nieuw benoemde drost Caspar van Ewsum (van Deursen p.294) een College van Gedeputeerden met twee leden uit de ridderschap en twee uit de groep der "eigenerfden". Drost en Gedeputeerden vormden het dagelijks bestuur van de provincie. Bij de eerste zitting, op 29 december 1601 te Rolde, waren namens de ridderschap de jonkheren Steven Horenkes en Egbert de Mepsche, namens de eigenerfden Henrick van Selbach en Herman Papinge gedeputeerden (Picardt, p.367).
De Drenten aanvaardden de regelingen op hun Landdag in 1602. Daar moest ook iedereen een eed afleggen, waarin onder andere de verklaring, dat de oorlog tegen Spanje christelijk en rechtvaardig was. De eigenerfden waren het met dit deel van de eed niet eens. Ze vonden dat "aengesien de landtschap Drenthe een open platt landt waer, ende sy voer invasien des vyandts onverseeckert waeren, niet wetende woe den tydt wederom loepen moechte" ze dat niet konden beamen. Kortom, ze geloofden even weinig in de zaak van de opstand als in haar succes (van Deursen p.296). Uiteindelijk werd van dit deel afgezien.
De werkwijze van het college wordt in 1603 door de Staaten Generaal gedecreteerd (Heringa, p.374). Henrick van Selbach (die door zijn eerdere werk blijkbaar veel aanzien had) was weer gedeputeerde vanuit de groep der eigenerfden; de andere eigenerfde was nu Hoernick (uit het Noordenveld; Ordelen p.377). Henrick zal tot 1615 gedeputeerde blijven.

De vertegenwoordigers van Drenthe in de rouwstoet bij de begrafenis van Stadhouder Willem Lodewijk van Nassau; ze vormden de een na laatste groep in de stoet in 1620...
Zo gekleed moet ook Henrick bij officiele optredens geweest zijn. (Heringa, p.376; gravure in het Friesch Museum en in het Rijksmuseum.)

Eigenlijk had de Staten Generaal Drenthe rechtstreeks willen besturen. De drenten voelden daar niets voor, ze waren altijd eigen baas geweest. Dat leidde tot vele onderhandelingen maar omdat de Staten Generaal veel meer aan hun hoofd hadden dan het arme Drenthe, kon de interne bestuurlijke zelfstandigheid gerealiseerd worden. Een stem in de Staten Generaal kreeg Drenthe echter niet.

Na de van hogerhand opgelegde reformatie moest er in Drenthe ook kerkelijk veel geregeld worden. Als gedeputeerde werd Henrick op 29 juli 1602 door graaf Willem Lodewijk van Nassau benoemd in een kerkvisitatiecommissie bestaande uit drie amtsdragers uit Drenthe en vier predikanten uit Groningen. Een van de vragen op de achtergrond was of de Drenten hun kerken zelf zouden besturen of dat ze ondergeschikt zouden worden aan de synode van Groningen. De Drenten konden uiteindelijk, door handig manouvreren, hun synodale zelfstandigheid verwerkelijken.
Voor de kerkelijke besluiten kwam men op 1 november 1602 in het (voormalig) klooster te Assen bijeen. Drenthe werd opgedeeld in drie "classes", voor elke geografisch homogene streek één. Men moest vooral voor goed onderwijs zorgen en de predikanten moesten de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergsche Catechismus ondertekenen. Goede predikanten moesten zo spoedig mogelijk beroepen worden (de Jong, p.308).

Henrick moest in zijn diverse functies door Drenthe reizen. Als schulte ging het om Roswijnckel en Odoorn, op 10 en 7 km van Emmen; dat zou nog te voet kunnen. Maar als ette en gedeputeerde moest hij verder, meestal naar Assen (op 35 km); dat zal hij te paard gedaan hebben. Hoe de etten bij een zitting van de etstoel ondergebracht werden is onduidelijk. En bij de inventarisatie van het land en de kerkvisitatie ging het om heel Drenthe. Hij zal langer van huis geweest zijn, denkelijk met sekretaris, paard en bagage wagen.

In 1603, op de eerste Drentse landdag na de volledige aansluiting aan de Verenigde Nederlanden, werd samen met de drost, Caspar van Ewsum, van alle "comparanten" (afgevaardigden) besproken of ze aan de voorwaarden voor deelname voldeden. Zo was er iemand gekomen die ondertussen niet langer eigenerfde was (hij bezat nog wel land maar geen "vol erf"); men vond hem dus niet meer waardig. Er werd ook bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van Henrick's zoon, de jonge Johan/Jan van Selbach (Magnin-B p.140). Als "eigenerfde" mocht hij zeker deelnemen. Maar zijn vader was aanwezig als gedeputeerde en naar oud drents gebruik behoort een zoon niet tegen zijn vader te kunnen stemmen. In Drente was "een zoon een litmaet syns vaders"; de eerste zes handen (vader, moeder, broer, zuster, zoon, dochter) waren ook juridisch voor elkaar aansprakelijk, als het ging om boetes, schulden, en dergelijke zaken (van Deursen, p.257).


Middeleeuwse toren van de kerk te Emmen (ansicht 1953).

Van Selbach ondersteunt in 1603 het besluit van de voogden van de kerk te Emmen om land op de Zuidbarger Es te verkopen "uyt hoeck dringender noet tot reparatie der kercke toe Emmen en tot opbouw der wemen-huys" (regest kta280). De predikant van Emmen, een oud priester, die in 1600 na examen aanvaard was, heette in 1603 nog "paaps" te zijn. En in 1613 was de administratie van de belijdenis nog steeds niet op orde terwijl de gewezen prior van Scharmer (in Groningen) in Emmen wijwater verkocht en zei met bezweringen mens en dier te kunnen genezen (de Jong, p.314). Met het wemen huis (de pastorie) schoot het ook niet op. In 1614 liet van Selbach de nieuw benoemde dominee Johannes Rusius uit Veldhausen met diens vrouw bij zich wonen, omdat de Emmer pastorie nog onbewoonbaar was. Rusius beklaagde zich over de staat van de pastorie in een brief aan het College van Gedeputeerden, dat college had hem immers benoemd. Rusius is al het volgende jaar verhuisd, naar Assen (Ringena, p.23).

Naast de officieele functies deed van Selbach, zoals alle bestuurders, aan landbouw. In 1612 werd hij aangeslagen voor 1.5 mudde bezaaid land (ongeveer 1/2 ha) in het kerspel Emmen.

Henrick is omstreeks 1618, ongeveer 80 jaar oud, overleden. Hij heeft veel voor Drenthe betekend.
Begonnen als schulte (omstreeks 1577) werd hij na de definitieve inlijving van Drenthe bij de Verenigde Provincien ette namens het Zuidenveld (1596-1615). Hij zat in de belangrijke commissies voor de landinventarisatie (1599) en voor de kerkvisitatie (1602), daarna werd hij gedeputeerde (1603-1615).

Zoon Johan woonde aanvankelijk bij Emmen. Hij verbleef, voor 1603, einige tijd aan het hof van graaf Johan VII van Oldenburg (Withaar, 2008) en trouwde (zijn 2de huwelijk) omstreeks 1615 met Anna ten Hove. Later verhuisde hij naar Zuidlaren en werd Ette van het dingspil Oostermoer.
Zoon Caspar, getrouwd met Wendela Cannegieters, verwierf 1621 de grote hoeve Angelsloo bij Emmen. In 1645 verkocht Caspar Angelsoo aan zijn schoonzuster Anna ten Hove met haar zoons Roelof en Henrick van Selbach (Withaar, 2008).

*) Henrick en zijn vrouw zullen vast meer kinderen gekregen hebben, wellicht ook dochters. Een dochter kan Aeltien zijn, die ca.1601 trouwt met J.H. Pathuis (van de hoeve "Padhuis" in het Zuidenveld, 6 km ten oosten van Coevorden); zij krijgt o.a. de zoon Roelof (zie DNL66). Maar dan is het waarschijnlijker dat Aeltien een dochter is van Roleff van Selbach (vermeld in een goorsprake van 15840312, goo004-007), die vermoedelijk een zoon van de schulte Johan van Selbach is.

Bronnen:
GD = Heringa, J., et al., Redakteur, "Geschiedenis van Drenthe"; Boom, Assen (1985). ISBN 90600095847.
GR = Formsma, W.J., Buist, M.G., Koops, W.R.H., Schuitema Meijer, A.T., Waterbolk, E.H., Broekema, S., "Historie van Groningen ; Tjeenk Willink, Groningen (1976). ISBN 9062430023.
Bieleman, J., "De landbouw in de periode 1600-1850", in GD (op.cit.).
van Deursen, A.Th., "De Zestiende Eeuw, 1522-1603", in GD (op.cit.).
Goo. = "Goorspraken van Drenthe, 1563-1602", (delen I-VI); via www.cartago.nl
Heringa, J., "Zelfstandig Gewest, 1603-1748", in GD (op.cit.).
Israel, J.I., "De Republiek - 1477-1806"; Uitg. van Wijnen (2008). ISBN 9789051943375
de Jong, O.J., "Kerkgeschiedenis, 1550-1750", in GD (op.cit.).
de Jong, O.J., GR, "Zestiende Eeuw, Kerkgeschiedenis", in GR (op.cit.).
Magnin-3I = Magnin, J.S., "Losse bladen uit Drenthe's geschiedenis", derde stuk, deel I 1522-1580; Groningen, Oomkens (1847).
Magnin-3II = Magnin, J.S., "Losse bladen uit Drenthe's geschiedenis", derde stuk, deel II 1580-1814; Groningen, Oomkens (1847).
Magnin-B = Magnin, J.S., "Geschiedkundig overzigt van de besturen die, voor de herstelling van Nederland in 1814, elkander in Drenthe zijn opgevolgd"; Groningen, Oomkens (1838-1850).
NNBW = Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (NNBW biografisch portaal)
Ord. = "Ordelen van de Etstoel van Drenthe 1505-1604"; 's Gravenhage (1893); via www.cartago.nl
Picardt, J, "Korte beschryvinge van....."; Amsterdam, Goedesbergh (1660).
Ringena, J., "Die Pastoren der ev.-ref. Gemeinde Veldhausen seit der Reformation (Teil 1)", in "Emsländische und Bentheimer Familienforschung", Heft 48, Band 10 (1999).
Withaar, J., "Angelsloo - Van prehistorische nederzetting tot nieuwbouwwijk"; Uitg. Drenthe, Beilen (2008). ISBN 9789075115499.
DNL66 = 1949, in "De Nederlandsche Leeuw", Jg.66, 76-77.

Terug naar de RH kwartierstaat: van Selbach - 9754.
Terug naar de websites over de van Selbachs: Johan b van Selbach.

(2018.12.20)   rh117541m.html