Roelof Roelofs Schuiling (*1783) & Klaaske Thijsses Rienks (*1795)

Roelof Roelofs Schuiling geldt als de stamvader van de Schuilings in Friesland. Zijn moeder stamde af van doopsgezinde vluchtelingen uit Zwitserland die vanwege geloofsvrijheid naar Nederland waren gekomen.

Roelof is te Kalkwijk onder Hoogezand (Gr) geboren. Tot zijn 23e werkte hij bij zijn vader op de boerderij. Toch had hij had meer belangstelling voor doopsgezind geloven en hij kreeg vanaf 1806 onderricht van Ds Foeke Gorter te Hoogezand. Roelof wordt in 1812 doopsgezind leraar te Oude Bildtzijl (Fr).
Roelof was een korte, stevige man (Sj. Hoogland; zie Schuilingboek, p.16).

Klaaske is 1795 geboren op de boerderij "Zeldenrust", vlak naast Oude Bildtzijl. Van haar was, als kind van doopsgezinden, geen doopacte bekend. Niemand wist precies wanneer ze geboren was. Voor haar huwelijk (in 1814) wordt dit probleem voor het gerecht met behulp van buren en de keuze van een meest waarschijnlijke datum opgelost.
Klaaske was, net als haar familieleden, "aan de grote kant" (Sj. Hoogland; zie Schuilingboek, p.16).

Roelof en Klaaske huwen op 22 dec 1814. Vanwege onbegaanbare wegen kunnen zijn ouders uit Hoogezand niet bij de trouwerij zijn. Het huwelijk vindt (ook vanwege de wegen) plaats op de boerderij van haar ouders (Reinder T.  de Jong, burgemester van Vrouwenparochie, gaf voor die plek toestemming). Vanaf Roelof's benoeming had hij veel met Reinder de Jong te maken, Reinder was namelijk ook Diaken van de doopsgezinde kerk.

Maar dan besluit Roelof, in 1817, de beroeping als leraar naar Hindelopen te volgen. Daar wordt hun tweede kind, Nynke, geboren. In 1818 is hij terug als leraar in Oude Bildtzijl, nu verenigd met Hallum, zeker ook omdat de kerkeraad hem (met twee gemeentes) een hoger tractement een een woning kon aanbieden. Te Hallum hield hij zijn intrede op 08-11-1818 (Cannegieter). Met dit hogere tractement konden ze zich de pastorie veroorloven. Daar werden de verdere kinderen geboren.

Rechts:  De pastorie der doopsgezinde gemeente te Oude Bildtzijl. Roelof verlaat de pastorie in 1858 als hij, 75 jaar oud, zijn ambt overdraagt.
De straat waaraan de doopsgezinde kerk staat werd midden 20ste eeuw van "Hoogestreek" in " Ds. Schuilingstraat" omgedoopt. De kerk is gerestaureerd en heeft weer de kleuren uit de tijd van Ds. Roelof Schuiling. De pastorie is afgebroken.

Vanaf zijn terugkeer naar OBZ heeft Roelof in vele zaken intensief samengewerkt met de Assessor van de Grietenijraad en lid van de doopsgezinde gemeente Reinder T de Jong. Zo waren ze beide schoolvoogd en hielpen bij de realisatie van een nieuw gebouw (1819). Roelof zat met de Jong in een commissie om OBZijl bij de epidemie van 1826 bij te staan. Zie daarvoor Sannes (1956), deel III.

Kinderen:  1815 Elisabeth (x Rein Kuiken), 1817 Trijntje="Nynke" (x Dirk R de Jong), 1820 Aaltje +, 1822 Gelfske (x Rutger Andringa), 1824 Roelof (x Elisabeth Bruinsma), 1826 Thys (x Ytje Hoekstra), 1829 Samuel +, 1831 Klaas (Ds te Oldeboorn en later Veenwouden), 1833 Petrus +, 1834 Aaltje (x Pieter Johannes Hoogland), 1838 Grietje (x Sander Brinkhuis), 1841 Samuel (x Gelfske Hoogland).

Tussen 1812 en 1828 reist Roelof (soms ook met vrouw) nu en dan naar zijn ouders in Hoogezand. Hij preekt daar dan ook (dagboek van Ds. Gorter). Ook kinderen logeren daar regelmatig. Na het overlijden van Roelof's vader in 1828 wordt zijn moeder Elisabeth naar Oude Bildtzijl gehaald, waar ze 1829 overlijdt.

In 1832 koopt Roelof een boerderij aan de Oude Bildtdijk, nr 1185, aan de Westhoek onder Jacobiparochie. De boerderij is 18.5 morgen groot, of 27 bunder met nieuw gebouwde behuizinge. Daarvan is ruim 3 bunder "greide" en 17 bunder op het oude Bildt. Roelof betaalt fl 12006,50. De zittende boer bleef, later kwam nog een ander, en in 1845 komt zoon Roelof op deze beorderij (uit Bildtse Post, 26-01-2005).

Om in Hallum te preken gaat hij meestal te voet, 1.5 uur gaans, vaak in gezelschap van een van de kinderen, en met zijn wandelstok met ivoren knop.

Klaaske leed af en toe aan toevallen, maar was ook lange periodes gezond. Ze was ijverig, gezellig en geestig. Ze overlijdt in 1842.

In 1855 wordt van Roelof een portret getekend. Het is in oostindische inkt uitgevoerd.

Roelof blijft in de pastorie als dominee tot 1858. Bij zijn afscheid wordt door Simen Sipma een gedicht gemaakt (zie Schuilingboek, p.23), waarvan een deel hier is weergegeven (regel 8: "met de wit ivoren knop"). Hij wordt overigens direkt gevraagd nog verder te preken, tot de nieuwe voorganger aangekomen is.
Dan verlaat hij de pastorie en gaat naar een ander huis.

Roelof geniet nog van de gemeenschap van Oude Bildtzijl. Uit de vele brieven die hij schrijft blijkt zijn zorg voor de kinderen en zijn dankbaarheid naar zijn ouders.

Grafsteen van
Roelof R. Schuiling, Klaaske T. Rienks en Roelofs moeder Elisabeth R. Meihuizen
op het kerkhof van Vrouwenparochie.
 
Foto SjdB.
Grote versie foto (1 Mb).

December 1869 schrijft hij aan dochter Trijntje: "Ik word oud en staf. Zal ik een brief schrijven: ik zie daar tegenop als een zwakke wandelaar die tegen een hoge berg moet opklimmen. .... Ik krijg de pen haast niet meer in handen... Met mijn gezondheid gaat het goed. Mijn geheugen en gehoor nemen zoo van lieverlede al meer en meer af. Het gezicht blijft nog vrij wel, zoo dat ik mijn ledigen tijd door lezen en wandelen zeer aangenaam kan slijten." (Zie Schuilingboek, p.26.)

Roelof sterft juli 1871. Hij is begraven op het kerkhof van Vrouwenparochie, bij zijn vrouw en zijn moeder.

Terug naar de kwartierstaat met RRS en KTR

Cannegieter, D., "Beschrijving van het dorp Hallum in Ferwerderadeel" (ca. 1880); digitale versie van het manuscript via Tresoar.
Sannes, H., 1953-56. "Geschiedenis van het Bildt", Weever, Franeker
"Het Schuilingboek" (1973); S.K. de Boer & P. Willems, redacteuren.

(2019.02.18)   begonnen 2010.08.18;   ks543m.html